Randstad WerkmonitorNummer 39 Trends op de arbeidsmarkt(werknemer perspectief)Mei 2011 B13365-1
Randstad WerkmonitorNummer 39 Trends op de arbeidsmarkt(werknemer perspectief)
Mei 2011 B13365-1
2
Voorwoord In dit rapport worden de resultaten van de 39ste meting van de Randstad werkmonitor beschreven. De werkmonitor is een onderzoek in opdracht van Randstad naar de mentale mobiliteitstoestand van werknemers gehouden onder ditmaal 810 werkenden. Er wordt aandacht besteed aan de ‘state of mind’ van werknemers in loondienst. De resultaten van het onderzoek worden in dit rapport o.a. geïntegreerd gepresenteerd in de vorm van een index. Deze index dient als graadmeter voor de mate waarin werknemers op korte termijn van baan denken te gaan wisselen (verwachte mobiliteit). Deze meting draait, naast het vaste onderwerp mobiliteit, om trends op de arbeidsmarkt volgens de werkgever. Wij hopen dat dit rapport bijdraagt aan een goed inzicht in de gevoelstemperatuur op de arbeidsmarkt, gezien vanuit het perspectief van de werknemer en dien ten gevolge bijdraagt aan het opinieleiderschap van Randstad Rotterdam, juni 2011 Noortje Wijnstok, projectmanager Bram Jonkheer, managing partner Inhoudsopgave Management samenvatting 3 Trends op de arbeidsmarkt 4 Mobiliteit 11 Persoonlijke motivatie 17 Onderzoeksdoelgroep 20 Verantwoording 22
3
Demografische ontwikkelingen Er zal in de nabije toekomst een steeds grotere groep mensen met pensioen gaan door de vergrijzing. Een deel van de werknemers denkt dat dit een direct effect op hun eigen doorgroeimogelijkheden zal hebben. Rondom de vergrijzing heerst een stevige politieke discussie over het verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd. Het blijkt dat een derde van de werknemers het geen probleem vindt om 2 jaar langer door te werken. Een financiële prikkel (5% meer gaan verdienen) stimuleert en is een extra stimulans om 2 jaar door te werken. Globalisatie Tweederde van de werknemers lijkt zich bewust te zijn van het vervagen van grenzen en de gevolgen voor arbeidsmobiliteit over grenzen heen. Zij voorspellen dat er in de toekomst meer werknemers in het buitenland zullen gaan werken. Opvallend genoeg zijn het de jongeren die minder vaak arbeidsmarktmigratie verwachten, in vergelijking met de oudere werknemers. War on talent Naast de vergrijzing die in Nederland opzet, wordt er ook gezegd dat er een ‘war on talent’ gaande is op de arbeidsmarkt. Het binnenhalen en behouden van goed gekwalificeerd personeel zou steeds moeilijker zijn. Vier op de tien organisaties lijkt inderdaad moeite te hebben goed gekwalificeerd personeel aan te trekken. Daarnaast ziet ruim een derde van de werknemers ook goed presterend personeel weggaan. Vooral werknemers uit de techniek (productie/industrie) geven aan dat hun werkgever niet in staat is om goed gekwalificeerde mensen te
4
1. Trends op de arbeidsmarkt
5
Een derde van de werknemers zou wel 2 jaar langer door werken dan de officiële pensioenleeftijd, wanneer hier een financiële compensatie tegenover staat is 45% hiertoe bereid FINANCIELE PRIKKEL EXTRA STIMULANS OM LANGER DOOR TE WERKEN NA PENSIOENLEEFTIJD Een op de drie werknemers denkt dat een steeds grotere groep mensen binnenkort met pensioen zal gaan en dat dit een direct effect zal hebben op de eigen doorgroeimogelijkheden (36%). Een derde van de werknemers zou wel 2 jaar langer willen doorwerken tot het pensioen (32%). Een financiële prikkel (5% meer gaan verdienen) stimuleert 45% 2 jaar door te werken. Branche Met name werknemers werkzaam in de dienstverlening zouden wel 2 jaar langer willen doorwerken dan hun officiële pensioenleeftijd (41%). Wanneer fysieke arbeid onderdeel is van het werk lijken werknemers minder bereid langer door te werken (bijvoorbeeld werknemers werkzaam in de techniek, 26%). Leeftijd Oudere werknemers (46 jaar en ouder) hebben relatief weinig het idee dat een grotere groep mensen met pensioen zal gaan en dat dit direct effect zal hebben op hun doorgroeimogelijkheden (27%). Geslacht Mannen denken eerder dan vrouwen dat in Nederland vanaf nu een grotere groep werknemers met pensioen gaat dan normaal en dat dit direct effect heeft op hun doorgroeimogelijkheden (40% vs. 32%). Segment Vooral hoogopgeleiden van 18 t/m 45 jaar zijn bereid 2 jaar langer door te werken, zowel zonder (respectievelijk 37%, 39%) als met een hoger salaris (respect
6
Tweederde van de werknemers denkt dat arbeidsmigratie in de toekomst veel grotere vormen zal aannemen MERENDEEL WERKNEMERS VERWACHT IN DE TOEKOMST EEN GROTERE STROOM ARBEIDSMIGRATIE Tweederde van de werknemers lijkt zich bewust te zijn van het vervagen van grenzen en de gevolgen voor arbeidsmobiliteit over grenzen heen. Leeftijd Opvallend genoeg zijn het de jongeren die minder vaak arbeidsmarktmigratie verwachten, in vergelijking met de oudere werknemers. Hoe jonger werknemers zijn, hoe minder zij van mening zijn dat arbeidsmigratie in de toekomst grotere vormen zal aannemen (18 t/m 30 jaar, 58%, 31 t/m 45 jaar, 67% en 46 jaar en ouder, 70%).
7
Zowel binnenhalen als binnenhouden van goed gekwalificeerd personeel is een uitdaging VOLGENS VIER OP DE TIEN WERKNEMERS IS HUN WERKGEVER NIET IN STAAT OM GEKWALIFICEERDE MENSEN TE VINDEN VOOR HAAR VACATURES. RUIM EEN DERDE VAN DE WERKNEMERS ZIET OOK DE GOED PRESTERENDE COLLEGA’S WEGGAAN. Een deel van de organisaties lijkt na de crisis moeite te hebben goed gekwalificeerd personeel aan te trekken en tegelijkertijd om goed presterend personeel binnen te houden. Voor ruim een kwart van de werknemers geldt dat ze na de crisis meer goed gekwalificeerde collega's om zich heen zien. Branche Vooral werknemers uit de techniek (productie/industrie) geven aan dat hun werkgever niet in staat is om goed gekwalificeerde mensen te krijgen voor haar vacatures (46%). Met name werknemers werkzaam in de dienstverlening zien steeds beter gekwalificeerde collega’s om hen heen dan voor de crisis (40%). Tegelijkertijd merken zij ook het vaakst dat collega’s weggaan die goed presteren (47%).
8
Vier op de tien werknemers hebben meer dan ooit behoefte aan scholing en training, meerderheid krijgt ook voldoende scholingsmogelijkheden EEN MEERDERHEID VAN DE WERKGEVERS BIEDT VOL-DOENDE MOGELIJKHEDEN VOOR WERKGERELATEERDE ONTWIKKELING Vier op de tien werknemers geven aan dat ze meer dan ooit behoefte hebben aan scholing en training (39%). Helaas krijgen niet al deze werknemers ook de gewenste scholing. Ruim een derde van deze werknemers krijgt binnen hun organisatie niet de gewenste mogelijkheden voor scholing en training (38%). Een vergelijkbaar aandeel geeft ook aan dat er binnen hun organisatie niet veel aandacht is voor werkgerelateerde ontwikkeling (37%). Leeftijd Vooral werknemers in de leeftijd van 31 tot 45 jaar geven aan meer dan ooit behoefte te hebben aan scholing en training t.b.v. hun loopbaan (48%). Oudere werknemers (46 jaar en ouder) hebben deze behoefte het minst (25%). Opleiding Laagopgeleiden hebben het minst behoefte aan scholing en training t.b.v. hun loopbaan (30%).
9
Veel werknemers hebben het gevoel dat er hogere eisen worden gesteld zonder dat zij ervoor gecompenseerd worden BIJNA DE HELFT VAN DE WERKNEMERS HEEFT HET IDEE AAN STEEDS HOGERE EISEN TE MOETEN VOLDOEN IN VERGELIJKING MET EEN JAAR GELEDEN Bijna de helft van de werknemers geeft aan dat er op werkgebied steeds hogere eisen worden gesteld zonder dat daar iets tegenover staat. 60% van de werknemers die dit vinden, heeft tegelijkertijd meer dan ooit behoefte aan scholing en training. Hoogstwaarschijnlijk zullen zowel de crisis als de schaarste op de arbeidsmarkt ten grondslag liggen aan de hogere eisen. NIET ALLE WERKNEMERS VOELEN ZICH VOLLEDIG OP HUN PLEK IN HUN HUIDGE FUNCTIE. EEN DEEL VOELT ZICH OVERGEKWALIFICEERD, EEN DEEL ONDERGEKWALIFICEERD Een op de drie werknemers zou graag een functie met meer verantwoordelijkheid hebben en een kwart van de werknemers is van mening dat de huidige baan eigenlijk te hoog gegrepen is. Branche Vooral werknemers werkzaam bij de overheid vinden dat er hogere eisen aan hen worden gesteld dan 12 maanden geleden, zonder dat er iets tegenover wordt gesteld (58%). Met name dienstverleners vinden dat hun huidige baan eigenlijk te hoog gegrepen is (24%). Leeftijd Met name werknemers tussen de 31 en 45 jaar zouden graag een functie met meer verantwoordelijkheid hebben, ook al zouden zij niet meer gaan verdienen (36%). Oudere werknemers (46 jaar en ouder) zouden het minst graag meer verantwoordelijkheid hebben (18%). Oudere werknemers (46 ja
10
Meerderheid werknemers heeft niet het idee dat er vanwege de leeftijd andere eisen op werkgebied worden gesteld BIJNA EEN OP DE DRIE WERKNEMERS HEEFT HET IDEE DAT ER ANDERE EISEN WORDEN GESTELD VANWEGE HUN LEEFTIJD Branche Met name werknemers werkzaam in de dienstverlening vinden dat er andere eisen worden gesteld vanwege hun leeftijd (40%). Werknemers werkzaam bij de overheid zijn in mindere mate van mening dat er vanwege hun leeftijd andere eisen worden gesteld (19%).
11
2. Mobiliteit
12 Lagere verwachting interne mobiliteit IN MEI 2011 VOORSPELLEN MINDER WERKNEMERS DE KOMENDE ZES MAANDEN BIJ DE HUIDIGE WERKGEVER EEN ANDERE FUCNTIE TE BEKLEDEN Leeftijd Met name jonge werknemers (18 tot 30 jaar) verwachten binnen zes maanden ander te werk bij dezelfde werkgever te vinden (21%). Onder oudere werknemers (46 jaar en ouder) is deze verwachting het minst sterk (7%).
‹#›
13
Minder werknemers schatten hun kans op ontslag klein in KANS OP ONTSLAG LIJKT WEER GROTER INGESCHAT TE WORDEN Drie op de tien werknemers schatten hun kans op ontslag niet klein in (28%). Dit aandeel is groter dan drie maanden geleden. Branche Werknemers die werkzaam zijn in handel/distributie en dienstverlening schatten hun kans op ontslag het grootst in (34% groot of niet groot, maar ook niet klein). Vooral werknemers werkzaam in de dienstverlening schatten de kans op ontslag niet groot en niet klein in (30%). Vooral werknemers die werkzaam zijn bij de overheid verwachten dat de kans op ontslag klein is (78%).
14 Werknemers hebben in mei 2011 minder vertrouwen in de arbeidsmarkt IN MEI 2011 HEBBEN WERKNEMERS MINDER ALGEMEEN VERTROUWEN IN HET VINDEN VAN EEN BAAN (61% VS. 66%) EN MINDER VERTROUWEN IN HET VINDEN VAN EEN VERGELIJKBARE BAAN (58% VS. 63%). Wellicht heeft de recente (economi-sche) onrust in landen als Japan, Spanje, Griekenland en Ierland, ook haar weerslag op het vertrouwen van Nederlanders in hun eigen arbeids-markt gehad. Alle aandacht die hiervoor in de media is geweest, kan er voor hebben gezorgd dat werknemers eerder denken dat ‘niets zeker is’. Leeftijd Werknemers van 18 tot 30 jaar hebben het meeste vertrouwen in het vinden van hetzelfde en ander werk (algemeen 69%, zelfde werk 68%, ander werk 73%). Werknemers van 46 jaar en ouder hebben het minste vertrouwen in het vinden van werk (algemeen 48%, zelfde werk 47%, ander werk 47%). Opleiding Laagopgeleiden hebben het minste vertrouwen in het vinden van werk (algemeen 46%, zelfde werk 43%, ander werk 46%). Vooral hoogopgeleiden hebben vertrouwen in het vinden van ander werk (70%). Geslacht Mannen denken vaker binnen zes maanden vergelijkbaar werk bij een nieuwe werkgever te kunnen vinden dan vrouwen (61% vs. 55%).
‹#›
15 Het merendeel van de werknemers is zich niet aan het oriënteren op een andere baan. Met name hoogopgeleiden kijken om zich heen. 15% VAN DE WERKNEMERS IS IN DE AFGELOPEN ZES MAANDEN GESWITCHED VAN BAAN. HOE MINDER VERTROUWEN WERKNEMERS IN DE ARBEIDSMARKT LIJKEN TE HEBBEN, HOE MINDER ZIJ BEZIG ZIJN MET HET ZOEKEN NAAR EEN ANDERE BAAN De vorige pagina liet zien dat vooral laagopgeleiden minder vertrouwen hebben in de arbeidsmarkt. Zij zijn het ook vooral die zich niet oriënteren op een andere baan. Opleiding Laagopgeleiden zijn zich het minst aan het oriënteren op een andere baan (67% niet mee bezig). Vooral hoogopgeleiden zijn op dit moment een beetje om zich heen aan het kijken voor een andere baan (23%). Hoewel zij er dus niet heel actief mee bezig zijn, staan zij er wel het meest open voor (49% mee bezig, 42% niet mee bezig). Leeftijd Met name oudere werknemers (46 jaar en ouder) oriënteren zich niet op een andere baan (60%). Zij kijken ook het minst om hen heen (11%). Jonge werknemers (18 tot 30 jaar) zijn er het meest mee bezig (45% niet mee bezig).
16
Mobiliteitsindex stabiliseert IN MEI 2011 ACHTEN MINDER WERKNEMERS HET WAARSCHIJNLIJK DAT ZE BINNEN NU EN ZES MAANDEN BIJ DE HUIDIGE WERKGEVER VAN FUNCTIE ZULLEN VERANDEREN. GEZIEN DE EERDERGENOEMDE TRENDS OP DE ARBEIDSMARKT IS EEN STABILISERENDE MOBILITEITS-INDEX LOGISCH. Leeftijd Met name jonge werknemers (18 tot 30 jaar) voorspellen ander werk te vinden (hetzelfde werk 29%, ander werk bij andere werkgever 22%, ander werk bij zelfde werkgever 21%). Werknemers van 46 jaar en ouder voorspellen het minst vaak binnen nu en zes maanden ander werk te doen (hetzelfde werk 13%, ander werk bij andere werkgever 9%, ander werk bij zelfde werkgever 7%). Opleiding Met name middenhoog opgeleiden voorspellen binnen nu en zes maanden hetzelfde werk bij een andere werkgever te doen (28%). Laagopgeleide werknemers zijn hier het meest onzeker in (14%).
17
3. Persoonlijke motivatie
18 Verminderd vertrouwen drukt persoonlijke motivatie niet: lichte trend in aandeel werknemers dat gericht is op het maken van promotie AANDEEL WERKNEMERS DAT STERK GERICHT IS OP PROMOTIE LIJKT ZICH VERDER TE ONTWIKKELEN. Leeftijd Met name jonge werknemers (18 tot 30 jaar) zijn sterk gericht op het maken van promotie (23%) Het aandeel dat niet gericht is op het maken van promotie is ook aanzienlijk kleiner in vergelijking met oudere werknemers (29% vs. 43% gemiddeld). Werknemers van 46 jaar en ouder zijn minder sterk gericht op het maken van promotie (5%). 57% is niet gericht op het maken van promotie. Opleiding Laagopgeleiden zijn het minst gericht op het maken van promotie (53% niet gericht). Geslacht Mannen zijn vaker sterk gericht op het maken van promotie dan vrouwen (16% vs. 10%). Segment Met name jonge werknemers zijn sterk gericht op het maken van promotie (laag opgeleid 26%, midden opgeleid 26%, hoog opgeleid 20%). Laagopgeleide ouderen zijn het minst sterk gericht op het maken van promotie (1% sterk gericht). Ook hoogopgeleide ouderen zijn minder sterk gericht op promotie (4% sterk gericht).
19 Ook de mate waarin werknemers toe zijn aan verandering blijft gelijk EEN KRAPPE MEERDERHEID HEEFT NIET DE BEHOEFTE OM IETS HEEL ANDERS TE GAAN DOEN. HET AANDEEL WERKNEMERS DAT EEN STERKE BEHOEFTE HEEFT AAN VERANDERING IS ONVERANDERD. Leeftijd Vooral oudere werknemers (46 jaar en ouder) hebben niet de behoefte iets heel anders te gaan doen (62%). Zij zeggen ook minder vaak deze behoefte sterk te hebben (7%). Opleiding Vooral laagopgeleiden geven aan niet de behoefte te hebben iets heel anders te gaan doen (62% niet de behoefte, 28% enigszins behoefte). Hoogopgeleiden geven minder vaak aan deze behoefte niet te hebben (42% niet de behoefte, 45% enigszins behoefte). Segment Met name laagopgeleide ouderen (46 jaar en ouder) hebben niet de behoefte om iets heel anders te gaan doen (68%). Hoogopgeleide jongeren (18 t/m 30 jaar) geven minder vaak aan deze behoefte niet te hebben (33%).
‹#›
Comments