Geluk Door Stephanie Verstraeten & De Keukelaere Tineke
Geluk Door Stephanie Verstraeten & De Keukelaere Tineke
Zien is kennen – over het geluk
Het geluk zit bij zonsopgang in de trein
en zingt Vivaldi met de kievit
fietst langs de waddendijk: een feilloos oog
voor wollen schapen, ruime lucht van Hollands blauw.
Looft keuken en kamer, leest de krant
loopt de straat door om de herfst te prijzen,
verliefd op het gouden licht van september
lacht het naar oude dames babies leren jacks.
Het geluk bezit goed ingelopen wandelschoenen.
’s Avonds zit het aan tafel met vrienden
het drinkt oude jenever,
volgt een talencursus
doucht elke ochtend warm, zwemt ’s zomers
spetterend door de lauwe zee. Het geluk schrijft
lange brieven, eet een haring, heeft een moeder
viert Sinterklaas
Het geluk ligt graag in bed. Het is getrouwd
heeft tot zijn verdriet geen kinderen maar
het geluk houdt zich groot.
Marjoleine de Vos
Geluk
Dit is geluk: dit is de vreugd die langer duurt
Dan de‘ eigen dag, dan overnacht;
De vreugd die groeit in droomen onbedacht
En, vóor de zon den witte morgen vuurt,
Om roereloozen slaper wacht
In al der aardedingen donkre pracht;
Dit is de vreugd die zich niet meer bezint:
O onverwonderd wonder, heilge macht
Van ’t dagelijks herboren kind
Dat vreugde om vreugde alleen bemint
En de aard tot in den hemel lacht;
Dit is de vreugd die duren kan en duurt:-
Dit is geluk.
P.C. Boutens
Zomergeluk
De geur van het malse gras en madeliefjes
De warme zon op mijn gezicht.
Maakt me loom en heerlijk duizelig;
Ik besta…
De stilte die me overheerst.
Het gekrijs van vogels in de verte
Het uitgestrekte weiland om me heen.
Ik besta…
Mijn ogen gesloten
Liggend in het groene gras,
Mijn handen opgeheven
beschermend tegen de zon.
Ik leef mijn jeugd
Met volle teugen
Niets wil ik missen,
Onbezorgd
Ik besta…
Yvonne Moolenaar
Mijn kleen, kleen dochterke Gelijk een daske zijt ge dik
Gelijk een kwartelke van kwik
Gelijk een moorke soms zoo zwart,
Mijn kleen, kleen dochterke, mijn hart!
Maar nu gewasschen je daar zit,
Daar is geen engelke zoo wit,
Daar is geen lammeke zoo zoet,
Mijn kleen, kleen dichtwerkje, mijn bloed! Ik hef je op de okselkes omhoog,
Ik zie een sterreke in elk oog,
En voor mijn armoê word ik blind,
Mijn kleen, kleen dochterke, mijn kind! René De Clercq
De oude kroeg Ik houd zozeer van die verlaten kroegen
Buiten de stad in het namiddaguur,
M’n droomt rustig, wachtend op den vroegen
Schemeravond, naast een gezellig vuur.
Sedert een eeuw misschien ligt hier wit zand
Op de geschuurde en uitgesleten planken.
Alles is oud, de stoelen en de blanke
Tafels. Dit is een huis, een vaderland. ‘k Zie door het raam een tuin die druipt van regen,
De winterlucht is mistig, grijs en geel,
En alles wat ik lijdzaam heb verzwegen
Dringt plots een kroppend snikken naar mijn keel.
En toch ben ik gelukkig, want nooit kende
Mijn jeugd den vrede die ik nu gevoel;
‘k weet mijn nu nader bij mijn menselijke doel:
De dood, maar zonder ‘t masker der ellende. Jan van Nijlen
Geluk
Geluk is als een regenboog
soms donkerblauw
soms als ochtenddauw.
Dan is het geel
dan weer rood
voor ieder is het nieuw
zo vaak verborgen
maar toch gezien… Vinesda
De wolken
Ik droeg nog kleine kleeren, en ik lag
Lang-uit met moeder in de warme hei,
De wolken schoven boven ons voorbij
En moeder vroeg wat ‘k in de wolken zag. En ik riep: Scandinavië, en: eenden,
Daar gaat een dame, schapen met een herder-
De wond’ren werden woord en dreven verder,
Maar ‘k zag dat moeder met een glimlach weende. Toen kwam de tijd dat ‘k niet naar boven keek,
Ofschoon de hemel vol van wolken hing
Ik greep niet naar de vlucht van ’t vreemde ding
Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek. -Nu ligt mijn jongen naast mij in de heide
En wijst me wat hij in de wolken ziet,
Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet
De verre wolken waarop moeder schreide-
M. Nijlhoff
Ik heb je liever Ik heb je liever dan brood,
al zegt men ook dat het niet kan
en al kan het ook niet. Ik heb je liever dan vrolijkheid of regen,
liever dan de stilte van drie uur
in de rustige in- en uitademende nacht. De meeuwen scheren overdag met hun vleugels
langs de blonde warme lucht.
de wilde bloemen staan te lachen
in het warme bad van de zon.
De zon danst zijn toch maar kleine rol
met zoveel overgave dat het heel
stil wordt, hier, in dit deel van het heelal. Ik heb je liever dan brood,
al zegt men ook dat het niet kan
en al kan het ook niet.
Liever dan vrolijkheid of regen,
liever nog dan ik heb je lief. Hans Andreus
Erwtjes Toen ze een meisje was van zeventien
Moest ze een hele middag erwtjes doppen
Op het balkon.
Ze wou de teil omschoppen.
Ze was heel woest. Ze kon geen erwt meer zien.
Toen ging ze maar wat dromen, van geluk,
En dat geluk had niets van doen met erwten
Maar met de Liefde en de Grote Verte.
Dat dromen hielp. Het scheelde heus een stuk. En dat is meer dan vijftig jaar terug.
Ze is nu zeventig en heel erg fit
En altijd als ze ’s middags even zit,
Mijmert ze, met een kussen in de rug, Over geluk en zo…een beetje warrig,
Maar het heeft niets te maken met de Verte
En met de Liefde ook niet. Wel met erwten,
Die komen altijd weer terug, halsstarrig.
Ach ja, zegt ze. Ik kan mezelf nog zien,
Daar in mijn moeders huis op het balkon,
Bezig met erwtjes doppen in de zon.
Dat was geluk. Toen was ik zeventien. Annie M.G. Schmidt
Comments